Gods nabijheid wordt op een bijzondere wijze uitgedrukt en gevierd in de sacramenten, omschreven als ‘werkzame tekenen van het door Jezus Christus bereikbaar gemaakte heil’. Een sacrament drukt in woorden, tekens en gebaren de aanwezigheid en werkzaamheid uit van God in het leven van elke mens. In de katholieke Kerk zijn er zeven sacramenten.

Drie sacramenten zijn gericht op het intreden in het geloof: de doop is het geboren worden in het geloof; het vormsel is de bevestiging en de groei ervan; de eucharistie is het zich voortdurend voeden met dit geloof. Twee sacramenten begeleiden de betrokkenheid van de gelovige: het huwelijk brengt man en vrouw samen en de wijding roept mensen om de kerkgemeenschap te bezielen en te leiden en op een eigen wijze Christus aanwezig te brengen. Tenslotte zijn er twee sacramenten die steun geven in het lijden dat de mens overkomt of dat wij zelf aanrichten: het sacrament van de ziekenzalving helpt in de omgang met het lijden en betrekt het op Jezus; het sacrament van de verzoening vergeeft het kwaad en verzoent ons opnieuw met God.

Het sacrament drukt uit dat God zich heel dicht bij de mens en diens bestaan bezig houdt. Het zijn bijzondere momenten van ontmoetingen met God. Essentieel voor het verstaan van de katholieke opvatting over sacramenten is dat er iets gebeurt met degene die ze ontvangt. Ze doen iets met je, je wordt er anders, beter door. Sacramenten bouwen de kerkgemeenschap op zodat ze kerk ‘wordt’. (naar ‘Katholieken. Wat ze geloven’)

Je kunt helemaal lid worden van de kerk door onderstaande drie sacramenten te ontvangen:

  1. Als eerste word je gedoopt. Bij de doop word je ondergedompeld in, of begoten met water in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Daarmee is je leven eens en voorgoed gestempeld door God. Je bent geboren tot nieuw leven met Jezus Christus, de erfzonde en al je persoonlijke zonden worden je vergeven en je bent lid van de kerkgemeenschap. Meestal word je als kind gedoopt. Je ouders en de kerk beslissen voor jou dat je er bij hoort en jou binnen die gemeenschap willen laten groeien.
  2. Het doopsel wordt voltooid door ‘het zegel van de heilige Geest, de gave Gods’. Dat noemen we het vormsel. De bisschop zalft een mens die verstandig genoeg is om zijn eigen keuzes te maken, met heilige olie. Je kunt nu zelf bevestigen dat je bij de kerk wilt blijven. De heilige Geest bevestigt jou ook. Hij geeft je kracht om te blijven geloven, om de kerk trouw te blijven, en de Blijde Boodschap door te geven aan alle mensen.
  3. Het belangrijkste sacrament is de Eucharistie. Op de avond voor Hij ging sterven gaf Jezus aan zijn leerlingen brood en wijn. “Dit is mijn Lichaam. Dit is mijn Bloed. Doet dit tot mijn gedachtenis”. Daarom neemt een priester ook nu nog brood en wijn, leest de Bijbel en gedenkt biddend Jezus’ dood en verrijzenis. Christus komt dan echt in ons midden: zijn Lichaam en Bloed. Jezus, wil jouw voedsel zijn. Je mag ‘ter communie’, dat betekent: gemeenschap vormen met Jezus en de kerk. Jezus, geneest je van je zondigheid, en geeft je kracht om het goede te doen, als je wilt elke dag. Het tweede van de zeven sacramenten is het Vormsel. De materie van het sacrament is de Olie, het Chrisma, dat bestaat uit Olie, dat de reinheid van het geweten voorstelt en uit balsem, die de geur van de goede, betrouwbare naam met zich draagt. De olie wordt de Bisschop gewijd tijdens de zogenaamde Chrismamis, de H. Mis die in het Bisdom gevierd wordt op Witte Donderdag, wanneer de Kerk de instelling van het Priesterschap viert.